Wat levert het op?

Talentenkompas geeft u een veelzijdig inzicht in aspecten die invloed hebben op de ontwikkeling van een kind in groep 7 of 8. Het geeft zicht op het geheel van intellectuele capaciteiten, talenten, interesses en het sociaal-emotioneel welbevinden van een kind. De belevingswereld van het kind zelf staat hierin centraal. Zodoende verkrijgt u snel een beeld van zijn of haar eigen perspectief op een aantal wezenlijke aspecten. 

Talentenkompas:

  • geeft waardevolle informatie ten aanzien van de ontwikkeling van een kind.
  • biedt aanknopingspunten bij het vinden van goede aansluiting op de ontwikkelmogelijkheden, behoeften en persoonlijke kwaliteiten van een leerling.
  • verschaft inzicht in het sociaal-emotioneel welbevinden dat een kind op school, thuis en in zijn/ haar sociale leefomgeving ervaart.
  • geeft aanleiding tot een goed gesprek met het kind zelf, zijn of haar ouders of de leerkracht met als doel om de ondersteuning en begeleiding van het kind te optimaliseren.    
  • is een online meetinstrument en kan eenvoudig vanaf diverse locaties worden afgenomen. 

 

Talentenkompas bestaat uit tests die intellectuele capaciteiten (intelligentie) meten en vragenlijsten die de persoonlijkheid, interesses en de sociaal emotionele ontwikkeling (welbevinden) van een kind in kaart brengen. Deze vier begrippen worden hieronder toegelicht.

Over persoonlijkheid

Het Big Five Model

Bij de ontwikkeling van de persoonlijkheidsvragenlijst is uitgegaan van het Big Five model dat wereldwijd geldt als het meest gehanteerde model voor het beschrijven van persoonlijkheid. In veel takken van de psychologie, waaronder de klinische psychologie, ontwikkelingspsychologie en arbeid- en organisatiepsychologie, wordt dit model toegepast om persoonlijkheid in kaart te brengen of om gedrag te verklaren vanuit de persoonlijkheid.

De vijf karaktertrekken

De Big Five (Goldberg, 1993) is ontstaan vanuit een lexicale benadering. De Amerikanen Allport en Odbert (1936) identificeerden in het woordenboek 17953 woorden die karaktertrekken weergeven.

Met behulp van factoranalytisch onderzoek werden deze bijvoeglijke naamwoorden uiteindelijk geclusterd tot vijf factoren: 
•    Extraversie 
•    Vriendelijkheid 
•    Zorgvuldigheid 
•    Emotionele Stabiliteit
•    Intellectuele Autonomie. 

Extraversie kenmerkt zich door een gerichtheid van iemand op zijn of haar omgeving. Het heeft betrekking op de mate waarin iemand behoefte heeft actief samen met anderen bezig te zijn.

Vriendelijkheid (Altruïsme) kenmerkt zich door een welwillende, behulpzame en betrokken houding ten opzichte van anderen.

Zorgvuldigheid (Consciëntieusheid) heeft betrekking op de mate waarin iemand oog heeft voor structuur, orde en netheid, en in hoeverre iemand het prettig vindt om volgens regels en procedures te werken.

Emotionele stabiliteit (Neuroticisme) heeft te maken met de mate waarin iemand snel geraakt is door onprettige gebeurtenissen, zich snel zorgen maakt en de neiging heeft om te piekeren.

Intellectuele autonomie wordt ook wel openheid van geest genoemd en heeft betrekking op de mate waarin iemand intellectuele uitdagingen opzoekt. 

Over Intellectuele capaciteiten

De zeven intellectuele capaciteitentests meten samen een breed spectrum van intellectuele vermogens en doen tevens een uitspraak over een algemeen intelligentieniveau van een leerling. Het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze tests was de Nederlandse versie van de testbatterij GATB (General Aptitude Test Battery; Van de Flier & Boomsma-Seurink, 1990). De capaciteiten zijn gekozen omdat zij de factoren van ‘leergeschiktheid’ meten.

In algemene zin beogen de zeven capaciteitentests de intellectuele vermogens van leerlingen te meten. Tezamen doen zij een uitspraak over het algemeen intelligentieniveau. Hierbij doen de resultaten een uitspraak over de snelheid van inzicht, de snelheid waarmee leerlingen informatie tot zich kunnen nemen en oplossingen kunnen bedenken. Elke afzonderlijke test heeft een eigen specifieke meetpretentie, zoals bijvoorbeeld: 

- Numeriek vermogen - het vermogen om snel en accuraat rekenkundige bewerkingen uit te voeren. Hiermee wordt inzicht verschaft in de rekenvaardigheid en het vermogen van de leerling om juiste conclusies te trekken uit cijfermatige informatie.

- Ruimtelijk inzicht - het vermogen tot visualiseren van bewegingen van voorwerpen in de ruimte en het vermogen om de samenhang tussen tweedimensionale afbeeldingen en driedimensionale voorwerpen te begrijpen. Hiermee wordt inzicht verschaft in het ruimtelijk voorstellingsvermogen van een leerling.

- Snelheid & Nauwkeurigheid (verbaal) - inzicht in de administratieve vaardigheden en het concentratievermogen van een leerling.

- Verbaal denken - het vermogen om de betekenis van woorden te begrijpen en de woorden op een juiste wijze te gebruiken en tevens het vermogen om relaties tussen woorden en de betekenis van zinnen in hun geheel te begrijpen. Hiermee wordt inzicht verschaft in de verbale capaciteiten van een leerling.

- Snelheid & Nauwkeurigheid (non-verbaal) - administratieve vaardigheden, waarbij de opgaven non-verbaal worden gepresenteerd. Hiermee wordt inzicht verschaft in het concentratievermogen en de capaciteit van een leerling om snel en nauwkeurig met gecodeerde informatie om te gaan.

- Verbaal logisch redeneren - het vermogen tot logisch redeneren op basis van verbaal geformuleerde opgaven. Het is belangrijk dat leerlingen hierbij voorbij kunnen gaan aan concrete betekenissen van woorden. Inzicht in het verbaal logisch beredeneervermogen van een leerling. 

Over Interessegebieden

Verschillende modellen

In wetenschappelijk onderzoek wordt gesteld dat interesse een relatief vastliggende eigenschap is om zich op bepaalde objecten, onderwerpen en activiteiten te richten. Interesse wordt bovendien geassocieerd met positieve gevoelens, doorzettingsvermogen en leren (bijv. Renninger, 2000). Veel onderzoek is verricht naar de relatie tussen zaken als interesse en motivatie enerzijds en intelligentie en prestatie op bepaalde taken anderzijds. Theorieën en modellen zijn naar voren gebracht, die de onderlinge verhoudingen in kaart proberen te brengen.

De investeringstheorie van Horn (1982) stelt bijvoorbeeld dat interesses bepalen hoeveel energie men ergens insteekt en hoeveel van de beschikbare intellectuele capaciteiten men ergens in wil investeren.

Daarnaast verklaren Eccles et al. (1983) met hun verwachting-waarde model een aantal verbanden tussen prestatie, eigen ideeën over vaardigheid op een bepaald gebied en interesses en plezier op dat gebied. Deze auteurs voorspellen dat deze aspecten in de vroege kindertijd redelijk onafhankelijk van elkaar zijn, en dat zij steeds meer van elkaar gaan afhangen, naarmate kinderen ouder worden en zich op cognitief gebied ontwikkelen. Hoe ouder kinderen worden, hoe beter ze namelijk in staat zijn om hun gedrag in overeenstemming met hun interesses te reguleren, wat inhoudt dat zij bewuster kunnen gaan kiezen voor de uitvoering van bepaald gedrag. Die keuze kunnen zij volgens het model laten afhangen van de prestaties die ze op dat gebied kunnen behalen (hoe goed ze op dat gebied zijn), hun eigen ideeën over hun vaardigheid op dat gebied (hoe goed ze denken dat ze zijn) en de interesse die ze op dat gebied hebben en/of hoeveel plezier ze op dat gebied kunnen beleven. Deze drie aspecten kunnen van invloed zijn op elkaar. Een kind kan bijvoorbeeld heel goed zijn in rekenen. Rekentaakjes gaan hem gemakkelijk af en daar krijgt hij veel complimentjes over. Ten eerste weet hij daardoor dat hij goed kan rekenen (zijn inschatting van zijn vaardigheid in rekenen stijgt). Ten tweede krijgt hij meer plezier in het vak (onder andere doordat zijn gevoel van eigenwaarde stijgt). Omdat hij er plezier aan beleeft, kan hij zich nog meer gaan richten op rekenen en groeit zijn vaardigheid nog verder. Deze processen hebben invloed op elkaar en versterken elkaar.

Het Meervoudige Intelligentie Model

De meting van interesses in Talentenkompas is gebaseerd op het meervoudige intelligentiemodel van Howard Gardner (1983). Dit model beschrijft hoe intelligentie is opgebouwd uit verschillende aspecten in plaats van één algemene intelligentie. Gardner stelt dat kinderen intelligent zijn op verschillende manieren. Sommige kinderen zijn goed in wiskunde terwijl anderen goed zijn in tekenen. De één wordt enthousiast van taallessen terwijl de ander uitblinkt met sporten. 

De verschillende intelligenties

De intelligenties (interesses) die worden onderscheiden, zijn:

  • Verbaal/linguïstische intelligentie (‘woordknap’): kinderen met goede taalvaardigheden zijn goed met woorden. Ze vinden het prettig om naar woorden te luisteren en te spelen met de klank van woorden. Ze houden van boeken, vinden het prettig om voorgelezen te worden en later om zelf boeken te lezen. Ze vertellen graag grapjes en verhalen, hebben een goed geheugen voor woorden en leren de spelling van woorden snel.  

     
  • Logisch/mathematische intelligentie (‘rekenknap’): kinderen die ‘rekenknap’ zijn, zijn goed in logisch nadenken. Ze houden van computers en rekenspelletjes. Ze houden er van om bezig te zijn met hoe dingen werken, vinden het prettig om problemen op te lossen en denken kritisch. Ze houden van puzzels of bordspellen waarbij logisch denken van belang is.

     
  • Visueel/ruimtelijke intelligentie (‘beeldknap’): kinderen met visueel-ruimtelijke intelligentie zijn goed met beelden en plaatjes. Ze vinden het leuk om te tekenen en te schilderen en zijn goed in doolhoven, puzzels en het bouwen met blokken. Ze zijn vaak geïnteresseerd in machines en houden er van om dingen uit elkaar te halen, in elkaar te zetten, te ontwerpen en te tekenen.

     
  • Muzikaal/ritmische intelligentie (‘muziekknap’): kinderen die muziekknap zijn, houden ervan om naar muziek te luisteren en te zingen. Of ze vinden het leuk om muziekinstrumenten te bespelen, kunnen geluiden en klanken in de omgeving oppikken en van elkaar onderscheiden en onthouden liedjes en deuntjes gemakkelijk.

     
  • Lichamelijke/kinesthetische intelligentie (‘beweegknap’): kinderen met lichamelijke-kinesthetische  intelligentie zijn goed in sport en activiteiten waarbij beweging komt kijken. Zowel hun grove als hun fijne motoriek is goed ontwikkeld en houden van zwemmen, dansen, rennen, buiten spelen, enzovoort.

     
  • Inter-persoonlijke intelligentie (‘mensknap’): kinderen die mensknap zijn, zijn sociaal en houden van sociale activiteiten. Ze vinden het fijn om in gezelschap van anderen te zijn en zijn goed in het bewaken van de sfeer tussen mensen en zich verplaatsen in de belevingswereld van anderen.

     
  • Intra-persoonlijke intelligentie (‘zelfknap’): kinderen die zelfknap zijn, zijn onafhankelijk en kunnen zichzelf prima in hun eentje vermaken. Ze zijn veel met zichzelf bezig en met hun plaats in de wereld, hebben voldoende zelfvertrouwen en stellen zichzelf persoonlijke doelen.

     
  • Natuurgerichte intelligentie (‘natuurknap’): kinderen met natuurgerichte intelligentie zijn geïnteresseerd in de natuur en alles wat daar in leeft, zoals dieren, planten en bomen. Ze vinden het fijner om buiten te spelen dan om binnen te spelen.

Waarderen van verschillen

Binnen deze benadering wordt benadrukt dat kinderen de kans hebben om inzicht te krijgen in een veelheid van gebieden waarop iemand zich kan ontwikkelen. Zo worden individuele verschillen serieus genomen en als talenten gewaardeerd. Door op deze bredere manier naar de talenten van kinderen te kijken kunnen zelfs bepaalde intelligenties ontdekt worden die anders mogelijk geen aandacht zouden krijgen en niet (optimaal) tot ontwikkeling zouden komen. Rettig (2005) benadrukt dat het belangrijk is dat jonge kinderen hun eigen interesses, talenten en vaardigheden leren kennen. Vervolgens moet de nadruk liggen op waar kinderen goed in zijn en niet waar ze minder goed in zijn.

Voorkeuren van leren

De theorie van meervoudige intelligenties legt uit dat kinderen ieder op een eigen manier intelligent zijn: de één is goed op het gebied van bewegen, de ander op het gebied van inter-persoonlijke relaties. Meervoudige intelligentietheorie gaat een stap verder door te stellen dat de intelligentie van een kind aangeeft waar de voorkeur van hem of haar ligt als het gaat om het opnemen van informatie. Didactische programma’s die gebaseerd zijn op de ideeën van de theorie richten zich dan ook op een meervoudige aanbieding van de lesstof. Hiermee wordt een grotere toegankelijkheid voor iedere kind bereikt.

Van meervoudige intelligenties naar interesses

Uit bovenstaande mag worden geconcludeerd dat interesse voor en intelligentie (of prestatie) op een bepaald onderwerp met elkaar in verband staan. In de vragenlijst van het Talentenkompas wordt de vertaalslag gemaakt van de intelligenties uit de Meervoudige Intelligentietheorie naar interessegebieden. De vragenlijst geeft inzicht in de interesses van kinderen, wat zij leuk vinden om te doen en welke activiteiten ze vervolgens zullen kiezen om te ondernemen.

 

Over Sociaal-Emotionele Ontwikkeling

Onder sociaal emotionele ontwikkeling wordt verstaan: de ontwikkeling waarbij kinderen in toenemende mate begrip krijgen voor mensen en kunnen handelen in situaties met andere mensen met positieve gevolgen voor alle betrokkenen in die situatie. 

Naarmate kinderen ouder worden, worden ze zich meer bewust van hun eigen emoties en die van de mensen om hen heen. Ze leren hoe ze met hun gedrag emoties van henzelf en anderen kunnen beïnvloeden. Een goede sociaal emotionele ontwikkeling zorgt ervoor dat kinderen opgroeien tot evenwichtige volwassenen.

Ontwikkelingen binnen het basisonderwijs zorgen ervoor dat er steeds meer en in een eerder stadium, aandacht wordt besteedt aan de sociaal emotionele ontwikkeling van leerlingen. Hiermee ontstaat er een verbreding van behandelende naar preventieve aandacht voor kinderen met sociaal emotionele ontwikkelingsproblemen. Men wacht niet langer meer totdat er daadwerkelijk problemen in de klas of bij individuele leerlingen ontstaan; in een vroeg stadium zoekt men naar handvatten om meer zicht te krijgen op de sociaal emotionele ontwikkeling bij leerlingen. Op deze wijze kan de ontwikkeling gevolgd worden en bij eventuele problemen kan er snel en doelgericht worden ingegrepen.  

In 2006 heeft iScreen naar aanleiding van de vele geluiden vanuit de onderwijswereld over de behoefte hieraan, de iScreen Sociaal Emotionele Ontwikkelingsvragenlijst (iSEO) ontwikkeld. 
Het doel van iSEO is het in kaart brengen waar uw kind zich (on)zeker over voelt, zoals zijn/haar schoolprestaties, de relatie met de leerkracht, enzovoorts.