CITO-score en kwaliteit

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)heeft een uitgebreid onderzoek gedaan (titel: “ Waar voor ons belastinggeld?”) naar de relatie tussen prijs en kwaliteit van publieke diensten.
In algemene zin concludeert dit onderzoek dat de kosten van deze diensten veel sneller stegen (periode 1995 tot en met 2010) dan de hoeveelheid product, ook nadat rekening is gehouden met de invloed van de geldontwaarding. Dat geldt ook voor het primair onderwijs.
De kostprijs per eenheid product, zoals het onderwijs aan een leerling op de basisschool, nam dus voortdurend toe terwijl deze snelle stijging van de kostprijs geen opmaat voor hogere kwaliteit is. Kortom, zij heeft berekend dat de extra gelden voor het onderwijs geen aantoonbaar resultaat hebben gehad. De kleinere klassen, gemiddeld 3 kinderen per klas minder, hebben het wellicht plezieriger gemaakt voor de leerkracht, maar de gemiddelde CITO scores zijn niet verhoogd.

De reactie vanuit de scholen is samen te vatten met: “onderwijs is meer dan alleen CITO scores. Vernieuwingen hebben niet perse geleid tot beter taal en rekenen, maar kinderen hebben andere dingen geleerd die ook erg belangrijk zijn, misschien wel belangrijker”.
Hiermee kun je je serieus afvragen wat die CITO score eigenlijk betekent, waarom we dit instrument zo breed inzetten en waarom we er zoveel waarde aan toe kennen? De reactie van de besturen lijkt te zeggen dat CITO kennelijk belangrijke dingen niet meet.
Dus hier lopen we tegen de vraag aan: wat is dan kwaliteit? Al veel langer zijn er scholen, weggezet als eigenzinnig, afwijkend en/of rebellerend, die de CITO toets welbewust niet afnemen. En nu gebruikt de gehele basisschoolbranche eendrachtig dezelfde motieven om de conclusies van het SCP onderzoek te weerleggen.
Helaas zijn er ondertussen al heel veel ouders en kinderen geconfronteerd dat diezelfde ‘beperkte’ beoordeling van kwaliteit en is hen de toegang ontzegd tot een bepaald niveau van middelbaar onderwijs. Overigens vooral ook om de ‘ontvangende partij’ niets met die ‘brede’ kwaliteit te maken had maar gewoon wil weten of de aanstaande leerling goede kans heeft op een diploma. Op haar beurt immers krijgen zij anders de zwarte piet toegespeeld op het veld van kwaliteit.
 
Terug naar het SCP. De onderzoekers hebben kwaliteit gekoppeld aan ‘leeropbrengst’ waarvoor de prestatie van de leerling maatgevend is. De score op de jaarlijkse Cito-eindtoets geeft in principe een beeld van de vaardigheden van leerlingen aan het einde van de basisschool op het gebied van rekenen, taal en studievaardigheden. De gemiddelde score op de eindtoets fluctueert tussen 2000 en 2011 in heel geringe mate. De laatste jaren is de score heel licht gestegen.
Desondanks is het aantal leerlingen dat naar HAVO/VWO gaat toegenomen: ging jarenlang zo'n 60 procent van de basisschoolleerlingen naar het VMBO en zo'n 40 procent naar HAVO/VWO, nu is die verhouding bijna 50/50. Dat blijkt uit onderzoek van DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs), die deze gegevens bijhoudt voor het ministerie van Onderwijs.
Deze bewegingsrichting is opvallend omdat er kennelijk geen aanwijzingen zijn dat leerlingen gemiddeld slimmer worden.

Maar het is lastig om aan deze uitkomst vergaande conclusies te verbinden zegt het SCP zelf: de uitslagen tussen opeenvolgende jaren zich niet zonder meer vergelijken. De deelnemende scholen zijn niet elk jaar dezelfde, onbekend is of alle leerlingen in een klas meedoen, scholen laten zwakke leerlingen niet aan de toets deelnemen, enzovoort.
Wijzigingen in het prestatieniveau van de leerlingen zijn ook afhankelijk van factoren buiten het onderwijs: de situatie thuis bijvoorbeeld.

Deze hele actuele discussie ondersteunt andermaal de noodzakelijkheid, zinvolheid en bruikbaarheid van een instrument als Talentenkompas. Ik verbaas me over zoveel onwetendheid als die waarmee partijen in de discussie roepen dat de “ andere belangrijke zaken niet gemeten zouden kunnen worden”.

-- Door A.J.E.M. Tegenbosch