Goed overgaan naar de middelbare school

Er zijn perioden in het leven van een kind dat de ontwikkeling wel heel snel gaat. Die versnellingen gaan vaak gepaard met veranderingen in de omgeving van het kind, zoals bijv. voor het eerst naar de middelbare school gaan. We zien kinderen dan veranderen: lichamelijk, maar ook sociaal en emotioneel. Deze overgangen zijn belangrijke momenten van groot worden, van emancipatie. Kinderen zien ernaar uit en ervaren ook enige angst. Kinderen verschillen hierin. Voor de een betekent het nieuwe vooral uitdaging. De ander ervaart meer de risico’s. Dit kind heeft meer behoefte aan ondersteuning.

Puberteit
De overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs is zo’n moment. De kinderen zijn meestal 12 jaar oud. De puberteit breekt aan. Zeker bij de meisjes is dat in groep 8 al duidelijk waarneembaar. Dit is de enige periode dat de meisjes gemiddeld groter en zwaarder zijn dan de jongens. Je ziet de relaties tussen de seksen veranderen. In de ogen van de meisjes zijn de jongens van de eigen groep opeens kinderachtig. Dat gevoel blijft nog wel even in de brugklas. Dan hebben de meisjes meer oog voor oudere jongens.

Nieuwe school
Het kind moet nu naar een andere school, meestal in een andere wijk of zelfs een andere stad. Dus moet er gereisd worden, misschien per fiets, wellicht met het openbaar vervoer. De school begint vroeger. ’s Morgens voor dag en dauw, soms in het donker bewegen zich lange slierten van fietsers langs de wegen. Er zijn kinderen die meer dan een uur onderweg zijn. Wordt er netjes (veilig) gefietst, met twee naast elkaar? En is de verlichting in orde? Andere kinderen proppen zich in het openbaar vervoer, soms tot ergernis van medereizigers.
De nieuwe school is veel groter dan de basisschool. Voordat je daar de weg kent! En de regels en routines! Je moet echt wennen aan de sfeer op school. Wellicht is er een verschil in cultuur of zelfs in identiteit.

Plaats in de school
Wennen moet je zeker ook aan de mensen die daar werken: leraren, maar ook anderen, zoals conciërges bijv. En die leraren zijn niet allemaal hetzelfde. Je hebt vakleraren en decanen en mentoren. Voordat je weet wie waar over gaat! De organisatie in het voortgezet onderwijs is veel complexer dan in die kleinschalige basisschool.
Je voelt je maar een nummer en nog een klein nummertje ook. In groep acht van de basisschool was je de grootste. Je was de baas op het plein. En je kreeg meer verantwoordelijkheden. Maar nu ben je de kleinste, een brugpieper. En dat laten ze merken ook!
Trouwens, ook de leraren moet je leren kennen. De een stelt weer andere eisen dan de ander, of benadert kinderen anders. Dat is heel lastig als je bijv. een beetje aanleg voor autisme hebt. Of je zult maar dyslectisch zijn. Voordat dat doorgedrongen is tot alle leraren en ze daar een beetje adequaat mee omgaan, heb je misschien al menig traantje geplengd.

Plaats in de groep
Niet alleen de leraren zijn nieuw, ook een (groot) deel van je klasgenoten. Het is maar wat fijn als je samen naar school kunt gaan met kinderen die je kent, of, nog beter, met je vriend(in). Je zult opnieuw een plaats in de groep moeten vinden. Als je populair was in je vorige klas maak je je daar misschien niet zo druk over. Maar als je er een beetje uitlag of een randfiguur was, dan hoop je natuurlijk dat het nu beter gaat. Misschien hebben je ouders wel gezegd dat alles nu beter zal worden. Maar als het dan weer tegenvalt? Dan komt het dubbel hard aan.
In elke nieuwe groep spelen dit soort processen. De hiërarchie wordt (opnieuw) bepaald. Sommigen zijn binnen de kortste keren (weer) populair. Zij zijn de uitverkorenen, zoals Langeveld ze noemde. Anderen doen grote moeite erbij te horen. In het slechtste geval blijven zij buitenstaanders. Zij hebben er vaak alles voor over om deel uit te maken van de groep. Ze passen zich aan: aan de mores van de groep, aan de taal die gebezigd wordt, de kleding die gedragen wordt, de muziek die beluisterd wordt, de vrijetijdsbesteding enz. Maar…, er zijn verschillen. Hoe meer je opgenomen bent in de groep, hoe groter de ruimte is om jezelf te zijn. En hoe makkelijker het is jezelf te aanvaarden zoals je bent. En ook hoe soepeler de sociale ontwikkeling verloopt en dus de aanvaarding van de anderen zoals zij zijn. Maar in het andere geval? Dan valt het niet mee een positief zelfbeeld te ontwikkelen en de groep met zelfvertrouwen tegemoet te treden.

Vakleraren
Nieuwe leraren en nieuwe vakken vragen de nodige aanpassing. In theorie is het mogelijk voor elk vak een andere leraar te krijgen. In de praktijk reduceren de meeste middelbare scholen het aantal leraren in de brugklas. Hier en daar lopen er experimenten met niet meer dan vier of vijf leraren voor de klas. Dezen geven meer vakken en overleggen veel met elkaar. Samen kennen ze de leerlingen binnen korte tijd redelijk En één van die leraren is je mentor. Met hem kun je alles bespreken, als het goed is.

Pedagogische opgave
Het is de taak van de opvoeders (ouders en leraren) om als bondgenoten kinderen te bemoedigen en hun zelfstandigheid te bevorderen. Om gezamenlijk de vorming van de kinderen ter hand te nemen. Om ze te helpen goed volwassen te worden.

Ouders
Het is heel belangrijk dat ouders beschikbaar zijn voor hun kind, als het thuis komt uit school, maar ook op andere momenten. Belangstelling tonen voor wat er op school gebeurt, voor wat het kind bezighoudt, praten met het kind over zijn ervaringen. Het ene kind praat daar graag en gemakkelijk over, het andere niet. Juist die ander heeft onze aandacht nodig.
Ook het bezoeken van ouderavonden of schoolbijeenkomsten is belangrijk. Het geeft het kind de indruk dat vader en moeder de school ook belangrijk vinden.
De ouders kunnen ook een goede rol spelen in de voorbereiding van het kind op alle veranderingen: de route naar school een keer samen fietsen voor het zover is, of de reis met de bus maken. Tijd nemen om schoolboeken te kopen en het nodige schoolmateriaal. Aandacht geven aan de kleren die nodig zijn (regenkleding bijv.) en aan de fiets.

Basisschool
De basisschool kan ook helpen het kind goed voor te bereiden. Niet alleen door van te voren een keer te gaan kijken op een open dag. Maar ook door het kind al een beetje te laten wennen aan het systeem van vakleraren. Laat een gespecialiseerde collega bewegingsonderwijs geven, of Engels. Een ander vak kan ook. Leer kinderen al hoe ze met een agenda moeten omgaan en hoe ze huiswerk moeten maken. Maar heel belangrijk is ook dat kinderen kritisch leren lezen en denken.

Middelbare school
De middelbare school heeft een reeks van mogelijkheden om de overgang voor de brugklassers zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Introductie
In de eerste plaats is een goede introductie voor de nieuwe leerlingen van belang. In de eerste schoolweek moeten de kinderen wegwijs worden gemaakt in het gebouw en met betrekking tot de schoolorganisatie. De belangrijkste mensen moeten ze kennen. En elkaar natuurlijk.

Leraren
Alle kinderen moeten ook bij naam gekend worden, door de leraren. Geen kind mag anoniem door de school zwerven. Daarom is het van belang het aantal leraren terug te dringen en omgekeerd de brugklasleraren minder klassen te geven. Deze leraren moeten geselecteerd worden op geschiktheid, motivatie en pedagogische attitude. Niet op bevoegdheid dus. Dat geldt wel in het bijzonder voor de mentor. Deze bevordert zo snel mogelijk een goed groepsgevoel in zijn klas. Het werken met brugklassers is minstens even belangrijk als met de oudere leerlingen.

Ouders
Vooral in de brugklas is een goed contact met de ouders van groot belang. De mentor moet niet alleen de kinderen goed kennen, maar ook het milieu waar ze uit komen. Huisbezoek in het begin van het schooljaar is aan te bevelen.  Mentoren en ouders informeren elkaar en laten zich informeren.

Schaalverkleining
In de negentiger jaren van de vorige eeuw heeft de stad New York besloten alle middelbare scholen op te delen in eenheden van ongeveer 500 leerlingen. En dat louter om pedagogische redenen. Alle leerlingen moeten gekend zijn. Alleen zo kan vandalisme en asociaal gedrag teruggedrongen worden. In diezelfde tijd kwam bij ons de schaalvergroting in het voortgezet onderwijs pas goed op gang. Het is beter ook onze middelbare scholen op te delen in kleine eenheden met een eigen ruimte en eigen leraren en directie.
De school moet ook goed georganiseerd zijn. Dat betekent bijv. duidelijke procedures, goede voorzieningen en regels voor overblijven, een goed rooster waarin tussenuren zoveel mogelijk vermeden worden.

Het is niet vanzelfsprekend dat het goed gaat met kinderen. Het lijkt wel of het aantal kinderen met leer, gedrags en psychosociale problemen alleen maar toeneemt. Steeds meer kinderen groeien op in een problematische thuissituatie.
De school kan niet alle problemen oplossen. Maar ze kan wel  proberen om van de school een veilige plek te maken en zo haar steentje bij  dragen aan de vorming van de kinderen. Daarbij is een goede start uitermate belangrijk.

 

-- Door A.J.E.M. Tegenbosch