Over Interessegebieden

Verschillende modellen

In wetenschappelijk onderzoek wordt gesteld dat interesse een relatief vastliggende eigenschap is om zich op bepaalde objecten, onderwerpen en activiteiten te richten. Interesse wordt bovendien geassocieerd met positieve gevoelens, doorzettingsvermogen en leren (bijv. Renninger, 2000). Veel onderzoek is verricht naar de relatie tussen zaken als interesse en motivatie enerzijds en intelligentie en prestatie op bepaalde taken anderzijds. Theorieën en modellen zijn naar voren gebracht, die de onderlinge verhoudingen in kaart proberen te brengen.

De investeringstheorie van Horn (1982) stelt bijvoorbeeld dat interesses bepalen hoe veel energie men ergens insteekt en hoeveel van de beschikbare intellectuele capaciteiten men ergens in wil investeren.

Daarnaast verklaren Eccles et al. (1983) met hun verwachting-waarde model een aantal verbanden tussen prestatie, eigen ideeën over vaardigheid op een bepaald gebied en interesses en plezier op dat gebied. Deze auteurs voorspellen dat deze aspecten in de vroege kindertijd redelijk onafhankelijk van elkaar zijn, en dat zij steeds meer van elkaar gaan afhangen, naarmate kinderen ouder worden en zich op cognitief gebied ontwikkelen. Hoe ouder kinderen worden, hoe beter ze namelijk in staat zijn om hun gedrag in overeenstemming met hun interesses te reguleren, wat inhoudt dat zij bewuster kunnen gaan kiezen voor de uitvoering van bepaald gedrag. Die keuze kunnen zij volgens het model laten afhangen van de prestaties die ze op dat gebied kunnen behalen (hoe goed ze op dat gebied zijn), hun eigen ideeën over hun vaardigheid op dat gebied (hoe goed ze denken dat ze zijn) en de interesse die ze op dat gebied hebben en/of hoeveel plezier ze op dat gebied kunnen beleven. Deze drie aspecten kunnen van invloed zijn op elkaar. Een kind kan bijvoorbeeld heel goed zijn in rekenen. Rekentaakjes gaan hem gemakkelijk af en daar krijgt hij veel complimentjes over. Ten eerste weet hij daardoor dat hij goed kan rekenen (zijn inschatting van zijn vaardigheid in rekenen stijgt). Ten tweede krijgt hij meer plezier in het vak (onder andere doordat zijn gevoel van eigenwaarde stijgt). Omdat hij er plezier aan beleeft, kan hij zich nog meer gaan richten op rekenen en groeit zijn vaardigheid nog verder. Deze processen hebben invloed op elkaar en versterken elkaar.

Van meervoudige intelligenties naar interesses

Uit bovenstaande mag worden geconcludeerd dat interesse voor en intelligentie (of prestatie) op een bepaald onderwerp met elkaar in verband staan. In de vragenlijst van het Talentenkompas wordt de vertaalslag gemaakt van de intelligenties uit de Meervoudige Intelligentietheorie naar interessegebieden. De vragenlijst geeft inzicht in de interesses van kinderen, wat zij leuk vinden om te doen en welke activiteiten ze vervolgens zullen kiezen om te ondernemen.